Schrijf de juiste persoonsvorm in de tegenwoordige tijd enkelvoud in de zin.
a. U ..... (garanderen) me dat ik een nieuwe fiets krijg?
b. De zuster in het ziekenhuis ..... (desinfecteren) de wond direct.
c. Volgens mijn moeder ..... (kunnen) ik goed volleyballen.
Uitwerkingen
a. garandeert (u = stam+t = garandeert)
b. desinfecteert (zij = stam+t = desinfecteert)
c. kan (ik = stam = kan; dit is een onregelmatig werkwoord)