Vul zijn of haar in.
a. Mijn vriend is ... sleutels vergeten.
b. De gemeenteraad heeft ... beleid aangepast.
c. Het feest kwam pas laat tot ... einde.
Uitwerking:
a. Mijn vriend is zijn sleutels vergeten.
Vriend is een mannelijk zelfstandig naamwoord dus we gebruiken zijn.
b. De gemeenteraad heeft haar beleid aangepast.
Gemeenteraad is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord dus we gebruiken haar.
c. Het feest kwam pas laat tot zijn einde.
Feest is een onzijdig naamwoord dus we gebruiken zijn.