Wat is de persoonsvorm, het onderwerp en het lijdend voorwerp?
a. Ik vier zondag mijn verjaardag.
b. Mijn familie heeft een groot cadeau voor mij.
c. 's Avonds hebben mijn vriendinnetjes een verrassing voor mij.
Uitwerking:
a.
- Vier ik zondag mijn verjaardag? (vraagproef)
--> vier = de persoonsvorm
- Wie viert? (wie of wat + gezegde)
--> ik = het onderwerp
- Wat vier ik? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> mijn verjaardag = het lijdend voorwerp
b.
- Heeft mijn familie een groot cadeau voor mij? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm
- Wie heeft? (wie of wat + gezegde)
--> Mijn familie = het onderwerp
- Wat heeft mijn familie? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een groot cadeau = het lijdend voorwerp
c.
- Hebben mijn vriendinnetjes 's avonds een verrassing voor mij? (vraagproef)
--> hebben = de persoonsvorm
- Wie hebben? (wie of wat + gezegde)
--> Mijn vriendinnetjes = het onderwerp
- Wat hebben mijn vriendinnetjes? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een verrassing = het lijdend voorwerp