SL-Nederlands 2e klas Vmbo-b oefenen

2026 · 2e klas Vmbo-b · Nederlands

Dit boek is beschikbaar in onze boekselector. De aansluiting betreft de gekoppelde Slimleren-onderwerpen, niet automatisch alle leerstof uit het boek.

Bekijk de onderwerpen bij dit boek

Zo oefen je Voorzetsels

Een kijkje in ons eigen oefenmateriaal. Dit is geen opgave of uitwerking uit het schoolboek.

  Voorbeeldvraag

Vind alle voorzetsels en voorzetseluitdrukkingen in deze tekst:

'Maartje is met haar familie naar Frankrijk geweest deze zomer. De tenten stonden tussen de bomen naast een meer. Ze hebben een wandeling gemaakt in het bos en daarna een kampvuur gemaakt met behulp van de takjes die zij onderweg verzameld hadden.'


Uitwerking

Maartje is met haar familie naar Frankrijk geweest deze zomer. De tenten stonden tussen de bomen naast een meer. Ze hebben een wandeling gemaakt door het bos en daarna een kampvuur gemaakt met behulp van de takjes die zij onderweg verzameld hadden.

Bekijk de uitleg bij dit voorbeeld

  Theorie

Uitdaging

Hoe herken je de voorzetsels in een zin?

Methode

Voorzetsels zijn woorden die aangeven wat de aard van de relatie is tussen verschillende elementen in de zin. Bijvoorbeeld dat iets aan iets vast zit, of dat iets ergens tussen ligt of dat iets na iets gebeurt.

Een voorzetsel is bijna altijd onderdeel van een woordengroep waarin een zelfstandig naamwoord staat (naar de bus, op de tafel, achter de koelkast).

Voorbeelden van voorzetsels zijn:

- aan (aan het water)
- achter (achter hem)
- voor (voor de lente)
- op (op de berg)
- naast (naast het veld)
- tussen (tussen de boeken)
- met (met een tennisracket)
- bij (bij het concert)
- over (over het water)
- onder (onder de tafel)
- na (na de vakantie)
- in (in de tuin)

 

Voorzetsels kunnen ook achter de woordgroep staan waar ze bij horen

Voorzetsels kunnen ook achter de woordgroep staan waar ze bij horen, zoals in de volgende voorbeelden (ook wel een achterzetsel genoemd):

- zij rijden het tuinpad op
- wij reisden samen de hele wereld over

Let op: soms is het geen voorzetsel (of achterzetsel), maar een deel van een werkwoord. Zoals in de volgende zinnen het geval is:

- ik keur dat direct af (komt van het werkwoord afkeuren, af is hier dus geen voorzetsel!)
- ik sta altijd als eerste op (komt van het werkwoord opstaan, op is hier dus geen voorzetsel!)

 

Combinaties van voorzetsels of van een voorzetsel en een bijwoord

Soms vormen twee voorzetsels of een voorzetsel en een bijwoord een gecombineerd voorzetsel in een zin, zoals in de volgende zinnen:

- de auto reed met een noodgang op het water af (van: erop af rijden)
- de leerlingen liepen achter de ouders aan (van: er achteraan lopen)
- hij keek dwars door mij heen (van: er doorheen kijken)
- de dief probeerde achter haar langs te glippen (van: er achterlangs glippen)

Voorzetseluitdrukkingen

Voorzetseluitdrukkingen zijn combinaties van woorden die samen de functie van een voorzetsel hebben en vaak te vervangen zijn door één ander voorzetsel. Enkele voorbeelden:

- door middel van (te vervangen door: door, met)
- met betrekking tot (te vervangen door: voor, over)
- als gevolg van (te vervangen door: door)
- ten aanzien van (te vervangen door: over, van, voor, op, jegens)
- met behulp van (te vervangen door: met, door)

Onderwerpen bij dit boek

Dit zijn eigen Slimleren-onderwerpen, alfabetisch gerangschikt. Kies een onderwerp om onze uitleg of een voorbeeld te bekijken.

Klaar om te oefenen?

Kies na aanmelden je boek en oefen de onderwerpen die jij nodig hebt.

Bekijk de mogelijkheden