Schrijf de juiste persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in de zin.
a. De kat ..... (rennen) naar buiten.
b. De wolven ..... (huilen) in de nacht.
c. ..... (Wonen) jij in een woonboot?
Uitwerkingen
a. hij/zij = stam+t = rent
b. hele werkwoord = huilen
c. ... jij = stam = Woon