Deel de volgende zinnen op in de persoonsvorm, het onderwerp en het lijdend voorwerp.
a. Ik eet een stuk taart.
b. De burgemeester van Amsterdam heeft een groot huis.
c. De klas leest het boek voor.
Uitwerking:
a. Ik - eet - een stuk taart
- Eet ik een stuk taart? (vraagproef)
--> eet = de persoonsvorm
- Wie eet? (wie of wat + gezegde)
--> ik = het onderwerp
- Wat eet ik? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een stuk taart = het lijdend voorwerp
b. De burgemeester van Amsterdam - heeft - een groot huis.
- Heeft de burgemeester van Amsterdam een groot huis? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm
- Wie heeft? (wie of wat + gezegde)
--> De burgemeester van Amsterdam = het onderwerp
- Wat heeft de burgemeester van Amsterdam? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een groot huis = het lijdend voorwerp
c. De klas - leest - het boek - voor.
- Leest de klas het boek voor? (vraagproef)
--> leest voor (van het werkwoord voorlezen) = de persoonsvorm
- Wie leest voor? (wie of wat + gezegde)
--> De klas = het onderwerp
- Wat leest de klas voor? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> het boek = het lijdend voorwerp