Wat is de persoonsvorm, het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp?
a. Mijn moeder heeft een taart gebakken voor haar moeder.
b. Ik heb een broodtrommel voor Tobias klaargezet.
c. Margot heeft haar oude computer aan Livia gegeven.
Uitwerking:
a.
- Heeft mijn moeder een taart gebakken voor haar moeder? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm
- Wie heeft? (wie of wat + gezegde)
--> mijn moeder = het onderwerp
- Wat heeft mijn moeder gebakken? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een taart = het lijdend voorwerp
- Voor wie heeft mijn moeder een taart gebakken? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> voor haar moeder = meewerkend voorwerp
b.
- Heb ik een broodtrommel voor Tobias klaargezet? (vraagproef)
--> heb = de persoonsvorm
- Wie heeft? (wie of wat + gezegde)
--> Ik = het onderwerp
- Wat heb ik klaargezet? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een broodtrommel = het lijdend voorwerp
- Voor wie heb ik een broodtrommel klaar gezet? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> voor Tobias = meewerkend voorwerp
c.
- Heeft Margot haar oude computer aan Livia gegeven? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm
- Wie heeft gegeven? (wie of wat + gezegde)
--> Margot = het onderwerp
- Wat heeft Margot gegeven? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> haar oude computer = het lijdend voorwerp
- Aan wie heeft Margot haar oude computer gegeven? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> aan Livia = meewerkend voorwerp