Hoe schrijf je de persoonsvorm of het voltooid deelwoord?
a. Vroeger kon ik erg goed turnen, maar Maria heeft dat nooit goed ..... (kunnen).
b. Samen met mijn vader ..... (timmeren, vt) mijn broer en ik in enkele dagen een hele schuur in elkaar.
c. De verpleegster ..... (helpen, vt) de patiënt uit bed te komen.
Uitwerkingen
a. Vroeger kon ik erg goed turnen, maar Maria heeft dat nooit goed gekund.
b. Samen met mijn vader timmerden mijn broer en ik in enkele dagen een hele schuur in elkaar.
c. De verpleegster hielp de patiënt uit bed te komen.