Talent 1, 3 havo oefenen

1e editie · 3e klas Havo · Nederlands

Dit boek is beschikbaar in onze boekselector. De aansluiting betreft de gekoppelde Slimleren-onderwerpen, niet automatisch alle leerstof uit het boek.

Bekijk de onderwerpen bij dit boek

Zo oefen je Bijwoordelijke bepaling

Een kijkje in ons eigen oefenmateriaal. Dit is geen opgave of uitwerking uit het schoolboek.

  Voorbeeldvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling? 

a. Anna komt volgende week terug.
b. Jaap heeft een cadeau gekregen van Marcel.


Uitwerkingen: 

a. persoonsvorm = komt terug (van het werkwoord terugkomen)
onderwerp = Anna

--> Bijwoordelijke bepaling = volgende week 

b. persoonsvorm = heeft
gezegde = heeft gekregen 
onderwerp = Jaap
lijdend voorwerp = een cadeau 

--> Bijwoordelijke bepaling = van Marcel

Bekijk de uitleg bij dit voorbeeld

  Theorie

Uitdaging

Hoe vind je de bijwoordelijke bepaling in een zin?

Methode

Een bijwoordelijke bepaling bestaat uit één woord of meerdere woorden die meer informatie geven over wat in het gezegde wordt uitgedrukt. Kijk maar naar de volgende korte voorbeelden:

- De vla was snel opgegeten.
- Hij haalt me op voor het station.
- Om 22.00 uur vertrekt mijn vliegtuig. 

Een bijwoordelijke bepaling is best makkelijk te vinden. Meestal is alles wat je na het benoemen van de zinsdelen overhoudt, de bijwoordelijke bepaling. Maar onthoudt:

- Er hoeft niet per se een bijwoordelijke bepaling in een zin te staan.
- Er kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen in een zin staan.

 

De bijwoordelijke bepaling is op te delen in verschillende categorieën, waaronder de bijwoordelijke bepaling van:

- plaats: Jochem heeft op de middelbare school gezeten in Bussum.
- tijd: Ik stop in de avond met werken.
- richting: Ik pak de bus en ik vertrek naar Zuid-Spanje.
- frequentie: Ik ga regelmatig met mijn band oefenen voor het optreden.
- graad: Zijn moeder was heel blij met zijn volwassen gedrag.

en zo zijn er nog veel meer... Je kan de bijwoordelijke bepaling in een zin dus goed vinden door vragen te stellen als: Waar? Wanneer? Hoe? Hoeveel? Hoe vaak? Waarheen? Waarom? Waarmee? Het is het beste om eerst de persoonsvorm, het gezegde, het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp te bepalen, en jezelf daarna deze vraag te stellen. Vergeet alleen niet dat er niet altijd een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in de zin staan.

Kijk bijvoorbeeld naar de bijwoordelijke bepaling in de volgende zin:

Ik geef mijn oma regelmatig een bosje bloemen.
- Persoonsvorm = geef
- Gezegde = geef
- Onderwerp (wie geeft?) = Ik
- Lijdend voorwerp (wie/wat geef ik?) =  een bosje bloemen
- Meewerkend voorwerp ((aan) wie geef ik een bosje bloemen?) = mijn oma
--> Bijwoordelijke bepaling (wat blijft over en stel jezelf de vraag: hoe vaak?)= regelmatig

Onderwerpen bij dit boek

Dit zijn eigen Slimleren-onderwerpen, alfabetisch gerangschikt. Kies een onderwerp om onze uitleg of een voorbeeld te bekijken.

Klaar om te oefenen?

Kies na aanmelden je boek en oefen de onderwerpen die jij nodig hebt.

Bekijk de mogelijkheden