Je hebt de volgende waarnemingsreeks:
12, 44, 23, 65, 33, 34, 53, 12, 14, 42, 43, 36, 22, 27, 62, 39, 40, 20, 31, 51, 29, 8
a. Vul de klassenindeling van deze reeks in.
$$\newcommand\T{\Rule{0pt}{1em}{.3em}} \begin{array}{c|c} \mbox{Klasse}&\mbox{Frequentie} \\\hline 0 -< 10 &a \\ 10 -< 20 &b \\ 20 -< 30 &c \\ 30 -< 40&d \\ 40 -< 50 &e \\ 50 -< 60 &f \\ 60 -< 70 &g\end{array}$$
b. Wat is de klassenbreedte?
c. Schat het gemiddelde van de waarnemingsreeks.
d. Teken een histogram bij deze reeks.
Uitwerking
a. Tel voor elke klassen hoeveel getallen er in die groep gedeeld worden. Let op, 40 moet in de klasse 40 -< 50 en niet in 30 -< 40. Een getal dat gelijk is aan een klassengrens wordt ingedeeld in de klasse waarbij dit getal de ondergrens is.
$$\newcommand\T{\Rule{0pt}{1em}{.3em}} \begin{array}{c|c} \mbox{Klasse}&\mbox{Frequentie} \\\hline 0 -< 10 &1 \\ 10 -< 20 &3 \\ 20 -< 30 &5 \\ 30 -< 40&5 \\ 40 -< 50 &4 \\ 50 -< 60 &2 \\ 60 -< 70 &2\end{array}$$
b. De klassenbreedte is gelijk aan het verschil van de klassengrenzen. Dit is voor elke klasse even groot. De klassenbreedte is dus 10 - 0 = 10.
c. Het gemiddelde kun je uitreken door alle frequenties te vermenigvuldigen met de klassenmiddens en op te tellen, en vervolgens te delen door de frequenties bij elkaar opgeteld.
De klassenmiddens zijn: 5, 15, 25, 35, 45, 55, 65.
Het aantal getallen in de reeks: 1 + 3 + 5 + 5 + 4 + 2 + 2 = 22
$$\mbox{Gemiddelde} \approx \frac{5 · 1 + 15 · 3 + 25 · 5 + 35 · 5 + 45 · 4 + 55 · 2 + 65 · 2}{22} = 35$$
d. In een histogram worden de hoeveelheden per klasse aangegeven door de hoogte van de staven. In het figuur zie je hoe het histogram er voor deze reeks uitziet.