a. De diameter van een wiel is 65 cm. Bereken de omtrek van het wiel in cm, in 1 decimaal nauwkeurig.
b. Robert fietst 1,7 km naar school. Hoeveel keer heeft het wiel rond gedraaid? Rond af op hele getallen.
c. De straal van een emmer is 15 cm. Bereken de omtrek van de emmer in cm, in twee decimalen nauwkeurig.
Uitwerking:
a. We weten dat de omtrek = $$\pi$$ · diameter. De diameter is gegeven.
Omtrek = $$\pi$$ · 65 = 204,2 cm.
b. We weten de omtrek van de cirkel (het wiel). Deze is 204,2 cm.
De afstand die Robert aflegt is 1,7 km. Hoe vaak het wiel ronddraait berekenen we door te kijken hoeveel keer de omtrek in de afstand van 1,7 km past. Dat is het aantal keer dat het wiel moet rond draaien.
Eerst rekenen we alles om naar dezelfde eenheid. We hebben hier gekozen voor meter.
1,7 km = 1.700 m
204,2 cm = 2,042 m
Nu kunnen we het aantal rondes berekenen:
Aantal keer rond gedraaid = 1.700 : 2,042 = 833 hele rondes
c. De straal is gegeven. We weten dat 2 keer de straal is gelijk aan de diameter. Zo kunnen we de omtrek berekenen.
Omtrek = $$\pi$$ · 2 · 15 = 94,25 cm.