a. Hanne kan kiezen uit 6 verschillende kleuren rokjes en 5 soorten panty's óf ze kan kiezne uit 4 verschillende broeken en 7 soorten sokken. Uit hoeveel mogelijke outfits kan ze kiezen?
b. Robin kan kiezen uit 4 soorten sneakers en 8 verschillende kleuren veters óf hij kan kiezen uit 5 verschillende slippers. Hoeveel mogelijkheden heeft Robin bij het kiezen van zijn schoeisel?
Uitwerking
a. Hanne kiest óf een outfit met een rokje en een panty óf een outfit met een broek en sokken. Ze trekt namelijk geen rokje én een broek aan. En ook geen panty en sokken. Er zijn 6 · 5 + 4 · 7 = 30 + 28 = 58 outfits mogelijk. Je past hier dus eerst de vermenigvuldigingsregel en daarna de somregel toe.
b. Robin kiest óf sneakers met veters óf slippers. Sneakers én slippers gaan namelijk niet samen. Er zijn 4 · 8 + 5 = 32 + 5 = 37 verschillende mogelijkheden om uit te kiezen. Je past hier dus eerst de vermenigvuldigingsregel en daarna de somregel toe.