Een introductie van machten
De uitleg is vrij te lezen. Oefenen kan met een Slimleren-lidmaatschap.
Theorie
Uitdaging
Een product van gelijke factoren kunnen we korter schrijven met behulp van machten. Het berekenen van machten noemen we machtsverheffen.
We gaan nu eerst bekijken wat een macht nou precies is en vervolgens leren rekenen met machten.
Methode
Neem bijvoorbeeld 1 · 1 · 1. Deze vermenigvuldiging kunnen we korter schrijven als 13. Het cijfer 3 wordt de exponent genoemd en het cijfer 1 het grondtal.
13 noemen we een macht. Je kunt ook zeggen dat dit de 3e macht van 1 is. De 1e macht van een getal is gelijk aan het getal zelf, zo is 71 gewoon 7. Voor de 2e macht bestaat er een speciale naam: het kwadraat. 32 spreek je uit als het kwadraat van 3.
- Het berekenen van machten noemen we machtsverheffen.
- In de rekenvolgorde begin je altijd met het berekenen van machten, dus machtsverheffen doe je voor vermenigvuldigen, delen, optellen en aftrekken. Maar als er iets tussen haakjes staat, dan bereken je dit voor het machtsverheffen.
Bijvoorbeeld:
63 = 6 · 6 · 6 = 216
5 · 32 = 5 · 9 = 45
(2 · 5)2 = 102 = 100
Het grondtal van een macht kan negatief zijn. Er zijn hierbij twee mogelijkheden: het grondtal inclusief het minteken staat tussen haakjes of niet.
- Als het grondtal niet tussen haakjes staat, blijft de min staan. Je berekent eerst de macht zonder de min. Zo kun je -22 zien als -(22), waarbij je eerst 22 = 2 · 2 = 4 berekent. Daarna zet je de min er weer voor: -4.
- Als het grondtal wel tussen haakjes staan, doet de min mee met de berekening. (-2)2 = -2 · -2 = 4. Als de exponent, in dit geval 2, een even getal is, wordt de uitkomst ook positief. Als de exponent een oneven getal is, dan wordt de uitkomst negatief.
(-2)4 = -2 · -2 · -2 · -2 = 16
(-2)3 = -2 · -2 · -2 = -8
Vuistregels
In de rekenvolgorde begin je met de machten.
- Machtsverheffen
- Vermenigvuldigen en delen
- Optellen en aftrekken
Voorbeeldvraag
Bereken:
a. 44
b. 1 + 2 · 53
c. (5 + 1)2
Uitwerking
a. 44 = 4 · 4 · 4 · 4 = 256.
b. Bereken eerst de macht: 53 = 5 · 5 · 5 = 125
Vervolgens eerst vermenigvuldigen en daarna optellen = 1 + 2 · 125 = 251
c. Bereken eerst wat er binnen de haakjes staat: (6)2 = 36
Verder oefenen met Slimleren
Oefen Een introductie van machten en andere onderwerpen op jouw niveau. Je krijgt direct feedback en uitleg bij je antwoorden, zodat je weet wat je al kunt en wat nog aandacht vraagt.
Zo werkt Slimleren