Basis enkelvoud & meervoud - persoonsvorm tt
- in het enkelvoud gebruik je de stam of de stam+t
- in het meervoud gebruik je het hele werkwoord
De uitleg is vrij te lezen. Oefenen kan met een Slimleren-lidmaatschap.
Theorie
Uitdaging
Hoe schrijf je de verschillende persoonsvormen in enkelvoud en meervoud tegenwoordige tijd en wanneer gebruik je deze vormen?
Methode
Het volgende overzicht laat duidelijk zien wanneer je welke persoonsvorm gebruikt:
Ik stam ik?
Jij stam+t
stam jij?
Hij/zij/u/het stam+t hij/zij/u/het?
Wij/jullie/zij hele werkwoord wij/jullie/zij?
Als je de regels voor het bepalen van de stam goed kent en dit overzicht goed onthoudt, dan kan je altijd de juiste persoonsvorm in de tegenwoordige tijd enkelvoud & meervoud opschrijven.
Vuistregels
- in het enkelvoud gebruik je de stam of de stam+t
- in het meervoud gebruik je het hele werkwoord
Voorbeeldvraag
Schrijf de juiste persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in de zin.
a. De kat ..... (rennen) naar buiten.
b. De wolven ..... (huilen) in de nacht.
c. ..... (Wonen) jij in een woonboot?
Uitwerkingen
a. hij/zij = stam+t = rent
b. hele werkwoord = huilen
c. ... jij = stam = Woon
Verder oefenen met Slimleren
Oefen Basis enkelvoud & meervoud - persoonsvorm tt en andere onderwerpen op jouw niveau. Je krijgt direct feedback en uitleg bij je antwoorden, zodat je weet wat je al kunt en wat nog aandacht vraagt.
Zo werkt Slimleren